Image: Photographs from the archive of Tinus and Bep de Does, taken or collected between 1964 and 2026. Photo: Sol Archer.
Spangen in Vroeger Tijden
TINUS en BEP DE DOES
12 september – 25 oktober, 2026
Gastschrijver: Yazan Khalili
Ter ere van Open Monumentendag 2026 presenteren we Spangen in Vroeger Tijden, een tentoonstelling van Tinus en Bep de Does. Als fotografenduo en levenspartners kan hun werk gezien worden in de belangrijke traditie van het amateurisme of als hobby, gewijd aan een gekozen onderwerp of activiteit, niet op zoek naar professionele vaardigheid, maar gedreven door een eigenzinnige aandacht en nieuwsgierigheid. Toen Tinus in 1964 begon met fotograferen, documenteerde hij zijn buurt en de sloop van zijn ouderlijk huis; een proces om gevoelens op papier vast te leggen en een poging om persoonlijke geschiedenissen te bewaren in het licht van commerciële herontwikkelingsprojecten. Bijna twintig jaar later, in 1983, ontmoette Bep Tinus, ‘de man met de camera’, op straat terwijl hij foto’s maakte. Ze raakten in gesprek en uiteindelijk ontstond er een romance. Nadat Tinus haar een camera had gegeven, ging Bep met hem mee op zijn fotografische tochten en nam ze zelf de passie over, terwijl ze samen de stad doorkruisten op zoek naar een onderwerp.
Hun zestig jaar lange dagelijkse documentatie van Rotterdam – van grote herontwikkelingsprojecten zoals het Justus van Effencomplex tot talloze sloopwerkzaamheden en foto’s van verwaarloosde straten – heeft een buitengewoon uitgebreid en gedetailleerd archief opgeleverd van een steeds veranderende stad, die voortdurend onderhevig is aan gentrificatie en de invloed van grootkapitaal. Het fysieke archief, met meer dan 700.000 foto’s, ligt opgeslagen in overvolle archiefkasten in hun thuiskantoor, zonder digitale tegenhanger. In de loop der jaren hebben ze hun collectie ingezet voor de publicatie van inmiddels uitverkochte en zeer gewilde boeken over elke wijk van Rotterdam en zijn talloze tentoonstellingen van hun werk georganiseerd. De foto’s zijn gemaakt met eenvoudige digitale compactcamera’s en gereproduceerd met beperkte middelen – talloze tripjes naar de plaatselijke drogist om kopieën te printen voor het archief en handgeschreven bijschriften op prikborden voor de context — en illustreren de gemeenschapszin en de betrokkenheid bij wat vaak over het hoofd wordt gezien. Ze leggen vooral vast wat er de volgende dag misschien niet meer is, en creëren tegelijkertijd een soort familiealbum van een hele stad, inclusief vingerafdrukken op de lens. Dit wordt nog eens benadrukt door het feit dat hun archief wordt aangevuld met donaties van anderen. Tinus en Bep vragen mensen vaak om hun persoonlijke foto’s te delen en reizen altijd samen om ze persoonlijk op te halen. Voor deze gelegenheid presenteren ze hun materiaal over onze wijk Spangen, een gebied dat ze al vaak hebben bezocht. Ze willen de wijk vieren, ondanks de reputatie en geschiedenis die de wijk hebben gestigmatiseerd en ervoor heeft gezorgd dat deze chronisch over het hoofd gezien wordt door het sociaal beleid.
Deze tentoonstelling is tevens een eerste stap naar het opzetten van een goed functionerend archief voor A Tale of A Tub, een archief dat de informele en interpersoonlijke sfeer weerspiegelt die ten grondslag ligt aan de collectie van Tinus en Bep. Tijdens de tentoonstelling kunnen bezoekers afbeeldingen van het Justus van Effencomplex uit hun eigen persoonlijke collecties meenemen om deze te kopiëren. Dit materiaal zal uiteindelijk deel uitmaken van het archief – een archief dat evenzeer een weergave zal zijn van de instelling als van het gebouw waar het allemaal begon. Dit sluit ook aan bij een aantal recente projecten die het complex zelf op artistieke wijze hebben gearchiveerd, zoals Brianna Leatherbury’s onderzoek naar de omstreden geschiedenis van de verwarming gedurende de 104 jaar van het bestaan van het gebouw; of Katrina Palmers fictieve onderzoek naar het erfgoed, waarbij haar literaire benadering, vaak gebaseerd op anekdotes, ruimte maakt voor alternatieve manieren om historisch onderzoek te doen. Bij de tentoonstelling verschijnt een tekst van Yazan Khalili, waarin de kopieermachine centraal staat als institutioneel instrument om de mogelijkheden van omgekeerd ingezette middelen en collectieve infrastructuren te onderzoeken. Spangen in Vroeger Tijden is samengesteld door Lisanne Janssen en Isabelle Sully.
Biografieën
TINUS en BEP DE DOES documenteren al meer dan zestig jaar dagelijks de geschiedenis en transformatie van Rotterdam, met een bijzondere focus op het zuiden van de stad waar ze zelf ook wonen. Sinds hun ontmoeting in 1983 hebben ze talloze tentoonstellingen georganiseerd en ontelbare boeken over de Rotterdamse voorsteden gepubliceerd, waaronder Rotterdam Bloemhof in vroeger tijden (1999), Spangen in vroeger tijden(2008) en Rotterdam Beijerlandselaan – Groene Hilledijk (1997). In 2024 presenteerden ze 60 Years of Rotterdam Through the Eyes of Tinus and Bep de DoeS, een zelfgeïnitieerde tentoonstelling met een uitgebreide selectie foto’s genomen tussen 1964 en 2024. Later dat jaar speelden ze de hoofdrol in de documentaire De toekomst is failliet, die de sloop van alle ouderlijke huizen van Tinus in beeld brengt als kritiek op het beleid van de stad, die zichzelf onophoudelijk verkoopt aan het grootkapitaal.
YAZAN KHALILI is architect, beeldend kunstenaar en onderzoeker. Hij woont en werkt vanuit Palestina en Amsterdam. Momenteel is hij promovendus aan de Amsterdam School for Cultural Analysis en heeft recent zijn residency aan de Rijksakademie in Amsterdam afgerond (2020–2022). In 2020 was hij mede-oprichter van Radio Alhara en in 2019 medeoprichter van het collectief The Question of Funding.
De kopieermachine: een infrastructuur van bevestigende kritiek
Door YAZAN KHALILI
Jarenlang heb ik me beziggehouden met vraagstukken rond financiering en middelen in de kunst- en cultuursector. Dit had verschillende redenen: enerzijds de linkse kritiek op de financiële economie en de noodzaak om me in plaats daarvan te verdiepen in de politieke economie; ik zag hoe culturele instellingen in Palestina (en elders) verslaafd raakten aan de donoreconomie, en hoe dat een grote rol speelde bij het depolitiseren en loskoppelen van de culturele sector van de strijd voor rechtvaardigheid en sociale bewegingen; maar ook omdat ik er niet in slaagde een kunstenaar te worden die kan leven van de verkoop van zijn kunstwerken, subsidies, productievoorstellen of residenties. In 2011 kreeg ik dertien afwijzingen voor subsidie- en residentieaanvragen. Hierdoor werd ik gedwongen om kunst via andere economische manieren uit te oefenen, om voor kunstinstellingen te werken als productiecoördinator, fotograaf, ontwerper, organisator of in andere functies waarmee ik in de sector kon blijven en van verschillende activiteiten binnen die sector kon leven. Ik werd een manusje-van-alles, altijd op zoek naar nieuwe manieren om relevant te blijven en een balans te vinden tussen mijn kunstpraktijk en mijn werk binnen de kunstwereld. Hierdoor ben ik al die ondersteunende rollen binnen het vakgebied als een kunstpraktijk op zich gaan zien en wilde ik manieren vinden om dat te onderzoeken en te delen. De afwijzingen hebben me met beide benen op de grond ge- zet: minder residenties en minder om de paar maanden op een andere plek wonen, minder afhankelijk van financiering en meer verbondenheid met de lokale economie en sociale relaties die alleen geleidelijk kunnen worden opgebouwd door op één plek te blijven. Ik schrijf dit in het besef dat ook dit onderdeel is van de neoliberale economie: werken in de gig-economie, mijn vaardigheden voortdurend moeten ontwikkelen en nieuwe dingen moeten leren om te overleven in een precaire economie waar nauwelijks sociale zekerheid of garanties voor de toekomst bestaan, of—zoals in het geval van Palestina—geen staat waar ik in de toekomst op kan rekenen. Maar dit heeft mij, en veel van mijn vrienden en collega’s, ook vaardigheden en kennis gebracht over hoe we kunnen samenwerken, hoe we elkaar kunnen steunen, hoe we onze relatie-economie kunnen begrijpen en hoe we de diepgewortelde middelen kunnen activeren die in de sociale en infrastructurele vormen besloten liggen waarmee we al jarenlang leven.
De neoliberale economie is een crisiseconomie, waarin crisis de basis vormt voor haar cycli. Elke crisis is een terugval in de economische groei, maar ook een manier om meer macht en rijkdom te concentreren en bezittingen en middelen te onttrekken die tot dan toe gemeenschappelijk waren, gedeeld werden of binnen de samenleving waren opgebouwd. Toch creëren deze crises ook scheuren in een systeem dat door professionalisering en managementbeleid gesloten is geworden. Soms biedt de crisis ook juist een kans om door die scheuren heen te glippen en met constructieve kritiek nieuwe arbeids- en productieomstandigheden te creeren. In 2015 bevond ik me midden in een financiële crisis bij het Khalil Sakakini Cultureel Centrum (KSCC), gevestigd in Ramallah de bezette Westelijke Jordaanoever. Om diverse redenen werd ik voorzitter en stelde ik me vrijwillig beschikbaar als directeur. De crisis was diepgaand en historisch diep. Sinds de Arabische Lente in 2011 en de daaropvolgende nasleep, kreeg KSCC, net als andere middelgrote en kleine instellingen, te maken met het terugtrekken van internationale financiers die deze instellingen voorheen steunde. Zoals uit veel kritieken en onderzoeken bleek, had deze financiering al een rol gespeeld in de depolitisering en heroriëntatie van culturele praktijken, waardoor ze verschoven van kleinschalige, gemeenschapsgerichte praktijken naar donorafhankelijke, losgekoppelde en top-down culturele praktijken. Om de omstandigheden van de crisis op constructieve wijze te bekritiseren, wilde ik de financiële crisis van de instelling omzetten in een culturele praktijk. Ik wilde de crisis zelf tot een collectieve basis maken, waar de instelling en haar gemeenschap konden samenkomen om vragen te stellen, kritiek te uiten, ruimte te maken voor verbeelding en een culturele praktijk op te bouwen die gebaseerd is op politieke economie in plaats van op afhankelijkheid van financiële steun.
De economische kwestie kwam centraal te staan in de discussie over de relevantie en verbondenheid van de culturele instelling. We gingen anders kijken naar wat de instelling al had, niet alleen naar wat er ontbrak. Een van de langlopende contracten van de instelling was de lease van een Xerox-kopieermachine bij een bedrijf dat ons de machine, inkt en onderhoud leverde voor ongeveer € 300 per vier maanden. We konden tot 10.000 pagina’s printen met dit pakket, maar als middelgroot cultureel centrum hoefden we nooit meer dan ongeveer 1.000 pagina’s per kwartaal te printen, waardoor er ongeveer 9.000 pagina’s ongebruikt bleven. We bedachten hoe we van deze kopieermachine een sociaal gemeenschapsgoed konden maken, een hulpmiddel dat grassroots- en onafhankelijke groepen konden gebruiken om hun publicaties, zines en boeken te printen. De kopieermachine was al betaald, de pagina’s waren al beschikbaar en de instelling beschikte al over de administratieve en juridische structuur waardoor dit hulpmiddel bestond. De vraag was hoe je datgene wat er al was kon activeren en beschikbaar kon maken buiten de instelling zelf.
Voor Lauren Berlant gaat het beoefenen van de commons verder dan het op een egalitaire manier delen van middelen en ruimtes; het moet worden ingezet ‘als een instrument, en vaak als een wapen, om de wereld te ‘ontleren’ en als ‘een pedagogie om normatief realisme af te leren en structuren op andere wijze te gaan zien als iets dat voortdurend in beweging is.’ [1] Het zou een ruimte moeten zijn voor kritische betrokkenheid en productieve tegenspraak, waarin het ter discussie stellen van gevestigde machtsstructuren en normen mogelijkheden creëert voor transformatieve praktijken en politieke verbeeldingskracht. Bij KSCC noemden we deze aanpak ‘omgekeerde middelen’. Door de toegang tot de macht en middelen die binnen de juridische en administratieve bestaansvormen van de instelling bestaan te collectiviseren, kon de instelling worden omgevormd tot een ondersteunende infrastructuur voor een bredere gemeenschap.
De kopieermachine was slechts een klein voorbeeld, maar het zette ons op een andere manier aan het denken over de instelling. Welke andere middelen waren er al aanwezig, maar bleven ongebruikt, ontoegankelijk of werden alleen in financiële termen begrepen? Een gebouw, apparatuur, administratieve kennis, juridische status, contracten, netwerken, tijd, toegang en het vermogen om middelen te ontvangen en te herverdelen, maken allemaal deel uit van de economie van een instelling, ook als ze niet als zodanig in de begroting voorkomen. Ze worden meestal gezien als de infrastructuur achter het culturele programma, die het programma mogelijk maakt. Maar ze kunnen ook de culturele praktijk zelf worden. De vraag is dan niet alleen hoe een kunstinstelling een crisis kan overleven, maar ook hoe ze de crisis kan aangrijpen om na te denken over wat ze in huis heeft, wat ze kan delen en wat voor soort relaties ze in stand kan houden. Misschien betekent het uitbreiden van een kunstinstelling tot een infrastructuur niet dat de instelling groter wordt, maar eerder dat de toegang tot de middelen en de macht die ze al bezit, wordt vergroot, en dat deze middelen worden gezien als onderdeel van een bredere economie van relaties in plaats van als bezittingen die alleen aan de instelling toebehoren.
[1] Lauren Berlant, ‘The Commons: Infrastructures for Troubling Times,’ Environment and Planning D: Society and Space, Vol. 34, No. 3 (2016).
Image: Photographs from the archive of Tinus and Bep de Does, taken or collected between 1964 and 2026. Photo: Sol Archer.
Image: Photographs from the archive of Tinus and Bep de Does, taken or collected between 1964 and 2026. Photo: Sol Archer.
Image: Photographs from the archive of Tinus and Bep de Does, taken or collected between 1964 and 2026. Photo: Sol Archer.
Image: Photographs from the archive of Tinus and Bep de Does, taken or collected between 1964 and 2026. Photo: Sol Archer.
Image: Hosting desk for Tinus and Bep de Does, featuring guestbook and visitor counter. Photo: Sol Archer.
Image: Hosting desk for Tinus and Bep de Does, featuring guestbook and visitor counter. Photo: Sol Archer.
Image: Photographs from the archive of Tinus and Bep de Does, taken or collected between 1964 and 2026. Photo: Sol Archer.
Image: Photographs from the archive of Tinus and Bep de Does, taken or collected between 1964 and 2026. Photo: Sol Archer.
Image: Photographs from the archive of Tinus and Bep de Does, taken or collected between 1964 and 2026. Photo: Sol Archer.
Image: Publications on the city of Rotterdam by Tinus and Bep de Does, published in regular succession since 1983. Photo: Sol Archer.
Image: Publications on the city of Rotterdam by Tinus and Bep de Does, published in regular succession since 1983. Photo: Sol Archer.
Image: Printer and filing cabinets for adding to the archive, with keychains by Lili Huston-Herterich and Lucio Nery DaCosta made from nameplates of former residents of Justus van Effen Complex. Photo: Sol Archer.
Image: Printer and filing cabinets for adding to the archive, with keychains by Lili Huston-Herterich and Lucio Nery DaCosta made from nameplates of former residents of Justus van Effen Complex. Photo: Sol Archer.
Image: Printer and filing cabinets for adding to the archive, with keychains by Lili Huston-Herterich and Lucio Nery DaCosta made from nameplates of former residents of Justus van Effen Complex. Photo: Sol Archer.
Image: Photographs from the archive of Tinus and Bep de Does, taken or collected between 1964 and 2026. Photo: Sol Archer.
Image: Videos and Dia slides on Spangen from the archive of Tinus and Bep de Does. Photo: Sol Archer.
Image: Videos and Dia slides on Spangen from the archive of Tinus and Bep de Does. Photo: Sol Archer.
Image: Videos and Dia slides on Spangen from the archive of Tinus and Bep de Does. Photo: Sol Archer.
Image: Videos and Dia slides on Spangen from the archive of Tinus and Bep de Does. Photo: Sol Archer.